Apraxie van de spraak
Zoeken naar een woord dat u al kent
De NVLF beschrijft spraakapraxie op haar publiekspagina als een worsteling met het formuleren van woorden, waarbij u steeds zoekt naar de uitspraak van een woord dat in uw hoofd zit. Dat is precies de ervaring die het onderscheidt van andere spraakproblemen: het woord is er wel, de klank niet.
Het NVLF-onderzoeksrapport over dysartrie en spraakapraxie beschrijft wat er in de spraak zelf gebeurt. Iemand kan klanken vervangen, omdraaien, toevoegen, weglaten, herhalen of verlengen, op een manier die inconsistent is. De meeste fouten worden gemaakt bij beginmedeklinkers, bij langere woorden, en bij woorden waaraan meer waarde wordt toegekend.
Waarom harder je best doen averechts werkt
Dit is het meest onverwachte kenmerk, en het verklaart veel frustratie aan beide kanten van het gesprek. Onbewuste spraakproductie, oftewel automatisch spreken, verloopt beter dan bewust spreken. Een groet, een vaste uitdrukking of een zin die duizend keer gezegd is kan er zomaar uitrollen, terwijl hetzelfde woord op verzoek niet lukt.
Het NVLF-rapport zet de consequentie er onomwonden bij: hoe harder de persoon zijn best doet een woord goed uit te spreken, hoe verder hij van zijn doel kan raken. Voor naasten betekent dat: aandringen helpt niet, en het is geen onwil. Rust, tijd en het gesprek even laten lopen doen meer dan nog een keer vragen om het woord langzaam te herhalen.
Waardoor ontstaat het?
Door hersenletsel. De NVLF noemt een beroerte, een trauma of een hersentumor. Het NVLF-rapport is preciezer over de plaats: spraakapraxie kan ontstaan door een beroerte, tumor, trauma of infectie in het laterale deel van de premotorische hersenschors in de linkerhemisfeer, het gebied van Broca.
Dat het gebied van Broca in het spel is verklaart waarom spraakapraxie zo vaak samen optreedt met een afasie van Broca. Het rapport stelt dan ook vast dat er bij spraakapraxie vaak comorbiditeit is, met afasie en dysfagie als voorbeelden.
Hoe vaak komt spraakapraxie voor?
Dat weet niemand precies, en dat is een eerlijker antwoord dan een cijfer. Het NVLF-rapport noemt prevalentieonderzoek naar spraakapraxie zeer zeldzaam. Het enige cijfer dat het geeft betreft een populatie patiënten met niet nader omschreven progressieve neurologische aandoeningen: mogelijk 38,2 van de 100 binnen die specifieke groep. Dat laat zich niet doorvertalen naar de bevolking of naar mensen na een beroerte.
Voor de acute fase na een beroerte geeft hetzelfde rapport een schatting die dysartrie en spraakapraxie samen betreft: ongeveer 35 van de 100 in het acute stadium en ongeveer 15 van de 100 in het chronische stadium. Incidentiecijfers ontbreken volledig, ook hier: het rapport vond daarover geen publicaties. Het tekent daarbij aan dat patiënten met spraakapraxie waarschijnlijk niet altijd naar een logopedist verwezen worden, en dat niet bekend is hoeveel dat er zijn.
Hoe wordt het vastgesteld?
Met de DIAS, het Diagnostisch Instrument voor Apraxie van de Spraak (Feiken, 2012), dat het NVLF-rapport noemt als het instrument voor de logopedische diagnostiek van spraakapraxie. Het bestaat uit vier taken: aansturing van de articulatiespieren, articulatie van klanken, diadochokinese en articulatie van woorden. Per taak wordt de ernst bepaald, waarna de uitslagen samen geïnterpreteerd worden.
Daarnaast is het Nederlandstalig Dysartrie Onderzoek voor Volwassenen (NDO-V) volgens hetzelfde rapport geschikt voor de differentiaaldiagnose dysartrie tegenover afasie of spraakapraxie, wat precies de vraag is die in de eerste weken na een beroerte speelt. Het verschil tussen de drie staat uitgewerkt op afasie of dysartrie.
Wat doet een logopedist eraan?
De NVLF noemt onderzoek van de spraak, therapie waarbij ook muziek ingezet kan worden, eventueel samen met een muziektherapeut, en het zoeken naar andere manieren van communiceren als spreken te weinig oplevert: een gebarensysteem, apps of spraakhulpmiddelen. Voorlichting noemt zij uitdrukkelijk een belangrijk onderdeel, gericht op de mensen om iemand heen.
Dat laatste is bij deze stoornis meer dan een formaliteit. Wie niet weet dat automatisch spreken beter gaat dan bewust spreken, gaat vanzelf oefenen op de manier die het slechtst werkt. Het NVLF-rapport wijst er bovendien op dat mensen vaak op hun spreken beoordeeld worden en daardoor voor minder intelligent kunnen worden aangezien, wat het gevoel van eigenwaarde raakt.
Meer over het traject na hersenletsel staat op logopedie voor volwassenen, de verwante spraakstoornis op dysartrie, en een praktijk in de buurt vindt u via het overzicht van logopedisten.
Belangrijk om te weten
De informatie op deze site is algemeen en educatief. Zij vervangt geen onderzoek, diagnose of behandeling door een logopedist of arts. Maakt u zich zorgen over spraak, taal, stem, gehoor of slikken? Bespreek het dan met uw huisarts of een logopedist.
Veelgestelde vragen
Wat is apraxie van de spraak?
Apraxie van de spraak, ook spraakapraxie genoemd, is een motorische programmeerstoornis van het spreken die het gevolg is van een hersenlaesie. Dat is de omschrijving in het NVLF-rapport over dysartrie en spraakapraxie, naar Feiken (2012). Er is een stoornis in het positioneren van de articulatiespieren bij het doelbewust uitspreken van klanken. De NVLF omschrijft het voor het publiek eenvoudiger: de spieren werken nog goed, maar het aansturen van die spieren geeft problemen. U weet welk woord u wilt zeggen, u weet hoe het klinkt, en de opdracht komt niet goed bij de spieren aan.
Waarom lukt automatisch praten wel en bewust praten niet?
Omdat de stoornis in de bewuste aansturing zit en niet in de spieren of in de taal. Het NVLF-rapport stelt vast dat onbewuste spraakproductie, oftewel automatisch spreken, beter verloopt. Een groet die er zomaar uit rolt of een uitdrukking die iemand duizend keer gezegd heeft komt er soms moeiteloos uit, terwijl hetzelfde woord op verzoek niet lukt. Het rapport formuleert het gevolg daarvan scherp: hoe harder de persoon zijn best doet een woord goed uit te spreken, hoe verder hij van zijn doel kan raken. Voor de omgeving is dat verwarrend, en het is geen kwestie van niet willen.
Wat is het verschil met dysartrie?
Bij dysartrie werken de spieren zelf niet goed genoeg, doordat het zenuwstelsel beschadigd is. Bij spraakapraxie werken de spieren wel en gaat het mis in de aansturing. Dat verschil hoort u terug in het patroon van de fouten. Bij dysartrie zijn die fouten consistent: wat vandaag moeilijk uitspreekt, spreekt morgen ook moeilijk uit. Bij spraakapraxie zijn ze inconsistent: het zijn niet steeds dezelfde klanken of woorden die vastlopen. Daarbij komt dat automatisch spreken bij spraakapraxie beter gaat dan bewust spreken, terwijl dat onderscheid bij dysartrie geen rol speelt.
Hoe vaak komt spraakapraxie voor?
Dat is grotendeels onbekend, en het NVLF-rapport is daar eerlijk over. Prevalentieonderzoek naar spraakapraxie is volgens dat rapport zeer zeldzaam. Het enige cijfer dat het noemt betreft een populatie patiënten met niet nader omschreven progressieve neurologische aandoeningen, waarbij het mogelijk om 38,2 van de 100 gaat. Dat getal geldt dus uitsluitend voor die specifieke groep en zegt niets over de bevolking als geheel. Incidentiecijfers ontbreken helemaal: het rapport vond daarover geen publicaties. Het merkt bovendien op dat patiënten met spraakapraxie waarschijnlijk niet altijd naar een logopedist verwezen worden.